Belgische Herder

Links



 Geschiedenis van de Belgische herder:

In de jaren 1800 waren er in België een groot aantal honden die gebruikt werden om de kudden te drijven. Het type was heterogeen en er was een grote verscheidenheid qua vachten.

Met het doel wat orde op zaken te stellen lieten enkele gedreven hondenliefhebbers zich adviseren door Professor A.Reul van de veeartsenijschool te Creghem, die mag worden beschouwd als de echte pionier en grondlegger van het ras.

Eind 1891 werd er een bijeenkomst georganiseerd om het bestand te tellen en de beste exemplaren te selecteren. Uit de selectie werd er de volgende jaren heel selectief gefokt wat resulteerde in één ras met 3 haarvariëteiten.

in 1901 werd de eerste Belgische Herders in het stamboek van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus (L.O.S.H.) ingeschreven.

Vanaf toen fokten men met als doel om de fouten te verbeteren en men mag stellen dat reeds rond 1910 het type en het karakter van de Belgische herder vastlagen.
De lichaamsbouw, zijn karakter en zijn werkaanleg waren vaste waarden en enkel de verschillende variëteiten en de toegelaten kleuren gaven nog aanleiding tot veel controversen.

Algemeen Voorkomen van de Belgische herder: 

 

 

De Belgische herder is een middelgrote hond, harmonisch van vorm, verstandig, rustiek, gebouwd om de guurheden van de seizoenen en de zo frequente weersveranderingen in ons Belgisch klimaat te weerstaan. Door de harmonie van zijn voorkomen en het fier hoog gedragen hoofd moet de Belgische Herdershond een indruk geven van elegante kracht, die het erfdeel is geworden van een werkhondenras. Naast zijn aangeboren geschiktheid als kuddehond, heeft hij de waardevolle kwaliteiten die hem tot de allerbeste bewaker van eigendommen maken. Zo nodig is hij zonder de minste aarzeling een taaie en hardnekkige verdediger van zijn baas. Hij is waakzaam en oplettend. Zijn levendige en vragende blik getuigt van verstand.      

Schedel en snuit van de Belgische herder:

De schedel en snuit zijn van bijna dezelfde lengte, met hooguit een klein verschil in het voordeel van de snuitlengte, aangezien dit een indruk van fijne afwerking aan het geheel geeft.
De neusspiegel is zwart met goed geopende neusgaten.
De snuit versmalt zich naar de neus toe geleidelijk, en is onder de ogen goed gebeiteld.
De neusrug is recht, van opzij gezien evenwijdig met de denkbeeldige lijn die de schedel verlengt.
De lippen zijn dun van huid, goed aansluitend, sterk gepigmenteerd en laten het rood van de slijmvliezen niet zien.
De wangen zijn droog, zeer vlak maar goed gespierd.
De wenkbrauwbogen steken niet vooruit.
Middelmatig brede schedel, in verhouding met de lengte van het hoofd. Het voorhoofd is eerder vlak dan afgerond, met de voorhoofdsgroef weinig afgetekend, van opzij gezien evenwijdig lopend aan de denkbeeldige lijn die de snuit verlengt. De stop is matig.

Gebit van de Belgische herder:

De kaken zijn voorzien van sterke, witte tanden die regelmatig en sterk ingeplant zijn in goed ontwikkelde kaakbenen. ‘Schaargebit’, dat wil zeggen dat de snijtanden van de bovenkaak over die van de onderkaak moeten glijden, zonder daar echter voeling mee te verliezen. Opeenstaande snijtanden worden getolereerd en vooral veedrijvers verkiezen zo’n ‘tanggebit’.

Oren van de Belgische herder:

Zien er duidelijk driehoekig uit, stijf en rechtop gedragen, hoog aangezet, van evenredige grootte. De oorschelpen zijn goed afgerond aan de basis.

Ogen van de Belgische herder:

Middelmatig groot, niet uitpuilend of diepliggend, licht amandelvormig. Bruinachtig, liefst donker van kleur. Zwart omrande oogleden. De blik is frank, levendig, verstandig en vragend.

Lichaam van de Belgische herder:

De hals komt goed uit, is iets lang, goed gespierd, zonder keelplooien. Hij verbreedt zich geleidelijk naar de schouders.
De schouderbladen zijn lang en schuin, vlak aanliggend, en vormen met het opperarmbeen een hoek, waardoor de vrije werking van de ellebogen wordt verzekerd.
Opperarmen moeten zich bewegen in een richting die perfect evenwijdig loopt met de lengteas van het lichaam.
Lange en goed gespierde onderarmen.
Sterke, korte voormiddenvoeten.
De polsen zijn zuiver (effen), zonder sporen van rachitis.
De romp is fors zonder plomp te zijn.
Bij de reu is de lengte van het boegpunt tot aan het uiteinde van het heupbeen ongeveer gelijk aan de schofthoogte.
Bij de teef mag de lengte de schofthoogte licht overschrijden.
De voorborst is van voren gezien niet breed, zonder evenwel smal te zijn. Weinig brede borst, maar daarentegen diep en laag.
De borstkas is begrensd door ribben die aan de bovenkant gewelfd moeten zijn.
De schoft is duidelijk afgetekend.
De rug en lendestreek zijn recht, breed, en krachtig gespierd.
De buik is matig ontwikkeld, afhangend noch opgetrokken, met een onderlijn die zorgt voor een vloeiende verlengende curve van de borst.
Het kruis is zeer licht hellend, breed maar zonder overdrijving.
De dijen zijn breed en sterk gespierd.
De knieën bevinden zich ongeveer loodrecht onder de heupen. Lange, brede, gespierde en aan de enkels voldoende gehoekte schenkels, echter zonder overdrijving.
De enkels (sprongen) staan laag bij de grond en zijn breed en gespierd waarbij ze van achter gezien evenwijdig moeten zijn.
De achtermiddenvoeten zijn stevig en kort. Wolfsklauwen zijn ongewenst.
De huid is elastische en over het hele lichaam goed aansluitend.
Schouderhoogte: de gewenste grootte is gemiddeld 62 cm bij reuen en 58 cm bij teven. Toegestane afwijkingen: 2 cm naar beneden, 4 cm naar boven.

De staart is zwaar aan de aanzet en van middelmatige lengte. In rust draagt de hond de staart hangend, het uiteinde lichtjes naar achter gebogen ter hoogte van de sprongen. In beweging heft hij de staart weer op, waardoor de kromming aan het uiteinde meer uitgesproken wordt, zonder echter ooit een haak of afwijking te vormen.

Vacht van de Belgische herder:

Aangezien de beharing bij de Belgische Herdershond verschilt in lengte, ligging en uitzicht, werd dit kenmerk als criterium gekozen om de variëteiten van het ras te onderscheiden. Bij alle variëteiten is de beharing weelderig, goed aansluitend en van goede textuur, en vormt ze, samen met het wollige onderhaar, een uitstekende beschutting.

Kleur van de Belgische herder:

Het masker moet de neiging vertonen om de boven- en de onderlippen, de mondhoeken en de oogleden in een enkele zwarte zone te omvatten. Zelfs bij lichtkleurige beharing moet het masker goed geprononceerd zijn. De kleuren zijn: vaalrose (fauve), zwart, gestroomd, en de gehele kleurenschaal die van Vaalrose of grijs naar zwart gaat. Een weinig wit aan de voorborst of de tenen is toegestaan. Bij de Tervuerense Herders zal de zwartgevlamde vaalrose (fauve charbonné) kleur, die de meest natuurlijke is, de voorkeur blijven hebben. Voor de Mechelaars is de zwartgevlamde, vaalrose kleur verplicht.

Beweging van de Belgische herder:

De beweging is bij alle gangvormen levendig en vrij; de Belgische Herder kan heel goed galopperen, maar de gewone gangen zijn de stap en vooral de draf.

De ledematen bewegen evenwijdig aan het mediaanvlak van het lichaam (recht gaand). Bij hoge snelheid komen de voeten dichter bij het mediaanvlak; bij het draven is de tredwijdte gemiddeld, de beweging regelmatig en vlot, met een goede stuwing van de achterste ledematen, waarbij de bovenbelijning goed strak blijft en zonder dat de voorbenen te hoog worden opgeheven.
Door zijn uitbundig temperament en zijn drang om te waken en te beschermen heeft hij een uitgesproken neiging om in cirkels te bewegen. Tevens is hij zeer wendbaar waarbij hij in volle snelheid plots van richting kan veranderen.

Grootte, gewicht en maten van de Belgische herder:

Schofthoogte: De gewenste hoogte is gemiddeld 62 cm voor de reuen en 58 cm voor de teven.
Grenzen: naar beneden 2 cm, naar boven 4 cm.

Gewicht:
reuen ongeveer 25 – 30 kg,
teven ongeveer 20 – 25 kg.

Lichaamsmaten:

normale gemiddelde maten bij een Belgische Herder reu die een schofthoogte heeft van 62 cm:
Lichaamslengte (vanaf het boogpunt tot aan het zitbeen): 62 cm.
Hoofdlengte: 25 cm.
Snuitlengte: 12,5 à 13 cm.




Medpets.be    Euro Joe